Derde Salon over woonmilieus in het landelijk gebied
TomTom in Broek in Waterland
Dorpsbewoners moeten intensiever betrokken worden bij het maken van beleid of het ontwerp van uitbreidingsmogelijkheden. Dat mag geconcludeerd worden na de derde salonbijeenkomst over landelijke woonmilieus. Te vaak handelen overheden en plannenmakers vanuit een achterhaald en traditioneel dorpsbeeld, de behoeften en wensen van het hedendaagse dorp negerend. Sociaal-geograaf Frans Thissen: ‘De opvatting heerst dat leefbaarheid in dorpen een gevolg is van het aantal voorzieningen. Onderzoek toont het tegenovergestelde.'
Beleid voor het creëren van vitale dorpse woonmilieus moet vooral simpel zijn, meent Frans Thissen, sociaal-geograaf aan de Universiteit van Amsterdam. Een kwalitatief publiek domein, veilige verkeerssituaties en voldoende ontmoetingsplekken, voor meer hoeft een gemeente niet te zorgen. ‘Het gaat er om dat gemeenschappelijke initiatieven de ruimte krijgen. Dat bewoners de mogelijkheid hebben om bijvoorbeeld het oude dorpsschooltje om te bouwen tot bibliotheek.'
Thissen doet zijn aanbeveling tijdens de derde salon over woonmilieus in het landelijk gebied op 14 mei in de zeilschool van Broek in Waterland. Gastvrouw en provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit Miranda Reitsma is enigszins verbaasd. ‘Bedoel je te zeggen dat de overheid zich niet teveel met dorpen moet bemoeien?', vraagt zij. Thissen schudt het hoofd. ‘Wat ik wil zeggen, is dat binnen het beleid de wensen en behoeften van hedendaagse dorpsbewoners veel meer centraal moeten staan. Naar mijn idee is het beleid te veel gebaseerd op het referentiebeeld van het oude plattelandsdorp van voor de Tweede Wereldoorlog.'
Dat oude dorp, door Thissen het autonome dorp genoemd, waarbinnen alle initiatieven en investeringen plaatsvinden, kent namelijk sinds de jaren zeventig een moderne variant, het woondorp genaamd. Dit soort dorpen kent volgens Thissen een hele andere verscheidenheid dan het traditionele beeld dat nog veel mensen van dorpen hebben. Zo is de consumptie van goederen voor een groot deel verplaatst naar de stad. De mobiliteit van bewoners is zienderogen toegenomen - men bezoekt andere plaatsen, men gaat op vakantie. Geboren dorpelingen verhuizen en nieuwelingen vestigen zich. Het woondorp is overdag ook stiller, want iedereen - ook de vrouwen - zijn elders aan het werk.

Achteruitkijkspiegel
‘Het hedendaagse dorp is gewoon niet meer het toneel van alle activiteiten', verklaart Thissen. ‘Waar je vroeger automatisch bij de plaatselijke voetbalclub een balletje trapte, wordt men tegenwoordig net zo gemakkelijk lid van de club in het dorp verderop. Bijvoorbeeld omdat daar op dinsdag wordt getraind in plaats van op woensdag.'
Terug naar de vraag welk dorpenbeleid gewenst is. ‘Doordat we vasthouden aan dat oude referentiebeeld, wat ik de achteruitkijkspiegel noem, heerst al jarenlang de opvatting dat de leefbaarheid in dorpen een direct gevolg is van het aantal voorzieningen. Maar onderzoek toont het tegenovergestelde, dat het voorzieningenniveau juist afhankelijk is van initiatieven door bewoners', bepleit Thissen. Hij vervolgt: ‘En dat is hangt weer af van de leefbaarheid. Hoe leefbaarder het dorp - bepaald door de mate van verkeersdruk, sociale veiligheid en de kwaliteit van de woonomgeving - hoe meer initiatieven burgers ontplooien.'
Ook enkele deelnemers aan de salon hanteren onbewust de referentie van het oude autonome dorp, zo bleek uit een van de eerste reacties op het pleidooi van Thissen. Zo werd gesuggereerd dat de relatie tussen dorp en omliggend landschap verdwenen is, omdat het geld wat dorpelingen uitgeven niet op die plek is verdiend - wat in een autonoom dorp wel het geval is.
Het is loos om te stellen dat al het geld wat in een dorp wordt uitgegeven binnen die geografische ruimte verdiend moet worden. Toch is het toevoegen van economische functies aan de toch wel eenzijdige en monofunctionele woondorpen een interessante optie. De vergelijking met de Vinexwijken gaat over tafel, volgens sommigen eveneens een dorp, al is het maar in kwantitatieve zin (een school op 800 woningen, 2,1 kinderen per gezin). Bewoners van deze wijken staan elke ochtend in de file naar hun werk. Enige bedrijvigheid zou om die reden in zo'n pure woonwijk welkom zijn. Overigens vindt wel een stille omwenteling plaats doordat dienstverlenende en adviserende bedrijfjes in vrijkomende agrarische bebouwing kruipen.
‘Mental border'
Al betekent dat niet automatisch dat bewoners ook bij die bedrijven aan het werk gaan. Zoals iemand meende: ‘Navigatieproducent TomTom kan best een vestiging in Broek in Waterland openen, verwacht alleen niet dat iemand daar vandaan daar ook gaat werken?'
Onderzoeker Thissen legt tot slot een ander onderscheid tussen een woondorp en een autonoom dorp op tafel. Waar de laatste een doorsnede van de samenleving is (bewoond door oud en jong, rijk en arm) zijn woondorpen meer uitgesorteerd. Dit betekent dat sommige dorpen bewoond worden door mensen die mede door hun (financiële) mogelijkheden ervoor gekozen hebben in dat dorp zich te vestigen, terwijl andere woondorpen worden bevolkt door mensen met minder inkomen - denk aan plaatsen in de Veenkoloniën, Noordoostpolder of Kop van Noord-Holland. Deze opvallende en vaak vergeten segregatie op dorpsniveau hoeft niet ongewenst te zijn. Misschien vergroot het wonen met gelijkgezinden wel de leefbaarheid in zo'n dorp - hoe dit abstracte criterium ook vastgesteld wordt.
Voortbordurend op het advies van Frans Thissen om behoeften en ideeën van bewoners te faciliteren, presenteert landschapsontwerper Wijnand Bouw van het Haagse bureau Bosch Slabbers de strategie voor dorps bouwen in het Drentse Elp. Dit esdorp vlakbij Beilen zat jarenlang op slot, wat volgens de Elpenaren ertoe heeft geleid dat de school verdwenen is, evenals de enige bushalte. Enthousiast werd dan ook gereageerd op de provinciale 2%-regeling, waardoor dorpen en gehuchten weer geleidelijk mogen groeien.
Essentieel in de strategie van Bosch Slabbers is dat de ontwerpers de verantwoordelijkheid voor nieuwbouw zoveel mogelijk bij de huidige bewoners leggen. Het enige wat zij aanreiken zijn een kader en bouwstenen. Het kader is een optelsom van een mental border - welk gebied behoort tot Elp volgens haar bewoners - en de cultuurhistorische, visuele en landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. Dit kader geeft aan waar in Elp ruimte is voor bebouwing.
Met bouwstenen kunnen die plekken dan opgevuld worden. Inbreiden vindt plaats via individuele bouwsels volgens een aantal spelregels, zoals sloop en herbouw, het gebruik van onbebouwde kavels, het splitsen van grote kavels of het plaatsen van een woning achter bestaande huizen. Uitbreiden dient projectmatiger plaats te vinden, bijvoorbeeld door een nieuwe brink te creëren, langs de es te bouwen of de dorpsentree aan te zetten.
Hoogtepunt in het plan- en ontwerpproces was volgens Wijnand Bouw de avond waarop de Elpenaren het door de ontwerpers bedachte spel ‘Kolonisten van Elp' speelden. In groepjes werd bedacht hoe de nieuwe bebouwing gesitueerd moest worden in en rond het dorp. Bouw: ‘Het mooiste was dat iedere bewoner aan den lijve ondervond dat wat hijzelf waardevol acht, door zijn buurman verafschuwd wordt.'
Spiegel voor
Ondanks de waardering voor de wijze waarop Bosch Slabbers de groei van Elp tracht vorm te geven, rijzen tijdens de salon toch enkele twijfels. Leidt de grote vrijheid en de burgerverantwoordelijkheid niet tot allerlei buitensporige en opportunistische interventies? En wie zou dat dan moeten beteugelen? Wijnand Bouw probeert de twijfels weg te nemen. ‘De gemeente kan via het bestemmingsplan zaken bijsturen. En de provincie beschikt over die 2%-regeling en er liggen ideeën om een beeldkwaliteitplan voor Drentse dorpen te maken.'
Een enkeling is niet tevreden met dit antwoord. ‘Maar wat als een Dirk Scheringa zegt: Elp, ik bouw voor jullie een museum, net zoals ik in Spanbroek heb gedaan. Wat doet de provincie dan? Wat kan de gemeente?'
‘Misschien reageert het dorp wel heel zelfbewust', reageert Bouw, ‘en stellen ze eisen aan Scheringa. Met onze kaders en bouwstenen hebben ze iets in handen waarmee dit soort initiatieven van repliek kunnen voorzien.' ‘Precies', vult Miranda Reitsma aan. ‘Hier in de Beemster is een kaasboerderij via een prijsvraag herontwikkeld. Dat heeft echt iets moois opgeleverd, zeker voor het omliggende landschap. Excessieve incidenten houd je altijd. Dat mag een invulling van een planproces zoals in Elp niet in de weg staan.'
Aan het eind van de avond komt de vraag op tafel of het ontwerpen aan dorpen op kleinschalig korrelniveau niet voorbij gaat aan de grootschalige transformatie van de landbouw en het landelijk gebied. Moeten we ons niet meer richten op erven die massaal transformeren tot burgerwoning, werklandschap, zorgboerderij of landgoed?
De enige agrariër aan tafel knikt en houdt zijn tafelgenoten meteen een spiegel voor. Volgens hem kan nog uren worden doorgepraat over de bouw van woningen, burgerinitiatieven, beeldkwaliteit en economische functies, maar in zijn beleving zit het landelijk gebied potdicht. Alles is ingekaderd, waardoor een vestiging van TomTom in Broek in Waterland bij voorbaat onmogelijk is. Wanneer iemand een nieuwe woning aan de dorpsrand bouwt, leidt dat geheid tot klachten uit de rest van het dorp. En als Dirk Scheringa een museum wil bouwen, wie zijn wij dan om daar eisen aan te stellen?
Provinciaal adviseur Miranda Reitsma ziet dat anders. Van provincies wordt straks verwacht dat zij juist eisen stellen aan de ruimtelijke kwaliteit op hun grondgebied, oppert zij. ‘Niet op basis van juridische verordeningen, maar op basis van overtuigingskracht. Dat je als Noord-Holland partijen overtuigd en stimuleert om het landschap als een mooi en hoogwaardig publiek domein in te richten.'
Mark Hendriks