Vierde Salon over de vernieuwing van de agrarische sector

Ontwerpen aan een agrarische hoofdstructuur

Een agrarische hoofdstructuur, een echte AHS, dat heeft Noord-Holland nodig. Een structuur waarmee per gebied bepaald kan worden welk type landbouw op welke schaal kan plaatsvinden. Een interessante conclusie, getrokken na enkele stevige discussies tijdens de vierde salonbijeenkomst over de vernieuwing van de agrarische sector. Maar hoe realiseer je zo'n AHS? Zoneren is een optie, meent de een. Wel met een grote rol voor ontwerp en beeldkwaliteit, zegt de ander. Initiatiefnemer Miranda Reitsma: ‘De razendsnelle ontwikkelingen in de landbouw vormen een regionale ontwerpopgave. Systematisch ontwerponderzoek naar de ruimtelijke consequenties hiervan ontbreekt. Het wordt tijd dat de provincie de transformaties binnen deze sector planologisch en landschappelijk in goede banen leidt.'

Op de vierde salonbijeenkomst van provinciaal adviseur Miranda Reitsma zijn de deuren van boerderij Angaulême in Velserbroek nog maar net gesloten, of de eerste discussiepunten vliegen over tafel.
Aanleiding is een mogelijke nieuwe regeling voor de vergroting van agrarische bebouwing van een hectare naar twee, opgesteld op verzoek van de Noord-Hollandse Provinciale Staten. In de regeling wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen agrarische schaalvergroting en verbreding van de activiteiten. Bouwblokvergroting ten behoeve van bedrijfsuitbreiding dient plaats te vinden in grootschalige gebieden, zoals de Wieringermeer. Vergroting van het bouwblok voor nevenactiviteiten - met bijvoorbeeld recreatieve, educatieve en zorgdoeleinden - is eventueel mogelijk in kleinschalige gebieden, zoals sommige delen van Laag Holland.
Een plausibele boodschap, al mag het gemaakte onderscheid volgens sommige deelnemers niet betekenen dat bedrijfsvergroting in Laag Holland voortaan verboden is. Juist in dat landschap is de maatschappelijke behoefte aan koeien in de wei groot, dus moeten melkveehouders mogelijkheden hebben te groeien en grotere stallen te bouwen.

Zorgvuldigheid
Anderen aan tafel schudden resoluut het hoofd. Volgens hen is de koe in de wei geen argument om te grote bouwwerken in een prachtig landschap toe te staan. Zij zien wel wat in een zoneringsplan, waarmee in de Wieringermeer een ruimhartiger beleid ten aanzien van landbouw gevoerd kan worden dan in Waterland. Laag Holland is immers een zeer gewaardeerd landschap, menen zij, een moerassig veengebied, bestrooid met laaggelegen ‘weide-eilanden' en nog lager gelegen droogmakerijen. Zorgvuldigheid is dan gepast, we mogen daar geen enkele fout meer maken.
De vraag rijst of vergroting van het bouwblok tot twee hectare het Laag Hollandse landschap bedreigt. Niet altijd, is het antwoord, wanneer tijdig gekeken wordt naar de typologie van de nieuwbouw en de vergroting van agrarische kavels.
‘Precies, en juist daarom vormen de razendsnelle ontwikkelingen in de agrarische sector een regionale ontwerpopgave', besluit Miranda Reitsma deze eerste en hevige discussieronde. ‘Niet alleen in Noord-Holland, maar in heel Nederland, over de hele wereld.' Reitsma doelt niet alleen op de voortgaande rationalisatie binnen de landbouw, maar ook op de kleinschalige tendens richting biologisch boeren en het verbouwen van streekproducten. ‘Decennia is die opgave beantwoord door het rijk, door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, door de Dienst Landelijk Gebied en de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Denk aan de ruilverkavelingen, denk aan de inpolderingen. Maar wie staat vandaag op om de hedendaagse transformaties binnen deze sector planologisch en landschappelijk in goede banen te leiden?' In de eerst discussieronde over de nieuwe provinciale regeling bouwblokvergroting kwamen een aantal instrumenten ter sprake waarmee gemeenten en provincie de architectonische en landschappelijke kwaliteit kunnen waarborgen: het al genoemde zoneringsinstrument, een beeldkwaliteitplan, welstand en krachtige regionale visies.

 

AHS
Stel dat in de Wieringermeer een boer het land van zijn buren koopt. Binnen korte tijd verrijzen via de ruimte voor ruimte-regeling op de bouwblokken om hem heen burgerwoningen: notariswoningen, boerderettes of andere vormen van kitscherige architectuur. Dat kan nooit de bedoeling zijn van een regeling waarmee de provincie oude en lelijke objecten uit het landschap wil verwijderen. Het ruimte voor ruimte-beleid - in ruil voor de sloop van oude schuren mag iemand nieuwbouw plegen -  leidt dan soms tot dubieuze beslissingen. Zo moest op Texel een oude houten schuur wijken voor een nieuwe discotheek. Je kunt je afvragen of dit landschappelijk gezien een beste keuze is geweest.

Speciale gast is Marc Timmers van de provincie Noord-Brabant. Hij heeft tijdens de reconstructie van de zandgebieden - na de varkenspest is besloten om die landelijke gebieden opnieuw en integraal in te richten - ervaring opgedaan met het zoneren van verschillende typen landbouw. Zo kent Brabant landbouwontwikkelingsgebieden, waar voor de intensieve veehouderij uitbreidingsmogelijkheden liggen. Die mogelijkheden zijn er niet in de zogenoemde extensiveringsgebieden, waar natuur en landschap leidend zijn. Omdat, volgens Timmers, in Nederland ook altijd een middenweg nodig is, is er ook nog de categorie verwevingsgebied.
Opvallend aan het verhaal van Timmers is dat een landbouwontwikkelingsgebied ligt daar waar het de minste schade toebrengt aan andere functies - gekeken is naar geluid- en stankhinder, mate van verkeersoverlast, woonkwaliteit, bodemverzuring, recreatie, enzovoort. Volgens Timmers een logische redenering, omdat het doel van de reconstructie was plekken te vinden waar de groeimogelijkheden voor de intensieve veeteelt optimaal zouden zijn.
Een van de gesprekspartners oppert het tegenovergestelde. Waarom is niet geprobeerd met een agrarisch programma juist kwaliteiten aan het landschap toe te voegen? Timmers heeft zijn antwoord paraat. ‘Dit is zeker gebeurd, alleen in de extensiveringsgebieden.
Miranda Reitsma neemt het woord. Zij laat het begrip agrarische hoofdstructuur vallen, een AHS. ‘Die landbouwontwikkelingsgebieden in Brabant vormen wellicht zo'n AHS. Hoe realiseren we zoiets in Noord-Holland? Waar vinden we aanknopingspunten waar we op voort kunnen bouwen? Een groot verschil met Brabant is wel dat we hier te maken hebben met verschillende grondsoorten, terwijl de gehele reconstructie op zand plaatsvond.'

CenterParcs
Kijkend door onze oogharen, zouden we kunnen stellen dat Noord-Holland al een AHS is, met grondgebonden landbouw en hier en daar natuur. Reitsma vindt dat te kort door de bocht. Juist die gigantische veranderingen waar ze eerder over sprak worden in een dergelijke traditionele opvatting miskend. ‘We staan aan de vooravond van een nieuw landelijk gebied. Het is aan deze generatie om daar inrichtings- en ontwerpvoorstellen voor te doen', bepleit zij.
Aan tafel zitten een aantal agrariërs, voornamelijk tuinbouwers. Een van hen verhuisde enkele jaren geleden van het Brabantse Made naar de weidse Wieringermeer, omdat hij daar vond wat hij nodig heeft om zijn product te maken. Vind je dat dan niet in een klein en intiem landschap, willen zijn tafelgenoten weten.
Het blijkt dat die landschappen beter aansluiten bij de bedrijfsvoering van biologische boeren die streekproducten produceren voor een regionale afzetmarkt - lees de stad.
Een aantal deelnemers aan de salon is hier erg sceptisch over. De markt zou te diffuus zijn en de concurrentie moordend. De mooie verhalen over het ‘streekboeren' - snel verpakken, snel vervoeren, snel in de winkel - gelden ook voor bulkproductie. En het ultieme voorbeeld van een regionaal product, de Beemsterkaas, wordt over de hele wereld verkocht, behalve in de Beemster.
Daarom moet grootschalige landbouw mogelijk blijven, daarover is iedereen het eens. Iemand maakt de vergelijking met de nieuwe Toyata Prius, die zowel een benzine- als een gasmotor heeft. Zo is het ook met het landschap. Het ene gebied wordt in stand gehouden met de productie van streekeigen producten, een ander landschap leunt op grootschalige agrarische productie.
Zoals de glastuinbouw, waarvoor je volgens Miranda Reitsma fantastische kaslandschappen kunt ontwerpen. Zaak is dan wel dat de provinciale overheid ontwerponderzoek doet waarmee betrokken gemeenten gedwongen worden kwaliteitseisen vast te leggen in een beeldkwaliteitplan of gemeentelijke welstandsnota.
Een van de tuinders aan tafel meent dat dit in beginsel een goed streven is. Het gevaar echter, is volgens hem dat landschapsarchitecten een kassengebied nog te vaak ontwerpen als een soort CenterParcs, met groen en water. Voor de tuinbouw ontstaan dan onwerkbare situaties. De agrariër meent dat het ontwerp anders moet worden ingezet. Laat zien hoe magnifiek kassen zijn, maak een mooi landschap, maar zorg zeker ook voor de juiste logistiek, voor functionaliteit en het naleven van milieudoelstellingen.

Kwaliteitsteam
Een recent voorbeeld van een groot en industrieel ogend kassencomplex is Agriport in de Kop van Noord-Holland, een moderne projectlocatie voor agribusiness en grootschalige glastuinbouw. Agriport wordt geroemd om zijn logistiek, voedselveiligheid, duurzame principes en maatschappelijke betrokkenheid.
Maar in boerderij Angaulême is de kritiek op het terrein duidelijk niet van de lucht. Agriport wordt omschreven als een groot incident, waarvan niet duidelijk is waarom het op die locatie ligt. Kansen om de waterberging architectonisch vorm te geven en om inderdaad een statement te maken met het vele glas zijn volgens de ontwerpers aan tafel volledig mislukt.
Miranda Reitsma is dan ook zichtbaar bezorgd als zij Agriport 2 ter sprake brengt, de geplande uitbreiding. Want hoe gaat dat eruit zien? En wat is dan nodig om een mooi en functioneel tuinbouwlandschap te maken? Deze vraag blijkt moeilijk te beantwoorden. Over het ontwerpproces van Agriport 1 gaan namelijk verschillende verhalen de ronde. De gebruikers geven aan dat zij best rekening hebben willen houden met landschappelijke en ruimtelijke principes, zoals recreatieve routes en bomenlanen.
Al snel blijkt dat de provincie hierin is tekort geschoten. Te lang hebben zij de verantwoordelijkheid voor deze immense interventie bij gemeenten gehouden. Die hebben dan wel een visie voor Agriport opgesteld, maar hierin komt de relatie met het polderlandschap niet aan bod. De logistiek, de milieuvoorwaarden en de waterberging zijn dan wel prima op orde, het landschappelijk ontwerp en de afstemming op de polder is gewoonweg vergeten. ‘Die taluds die iedereen zo verschrikkelijk vindt, die wilden wij ook niet', vertelt een van de tuinders. ‘En toch zijn ze er gekomen.'
Voor Agriport 2 is Reitsma in overleg met de gemeente Wieringermeer bezig een kwaliteitsteam in het leven te roepen die de betreffende gemeente bijstaat en adviseert. De provincie moet leren van de miscommunicatie tussen initiator, lokale overheden en ontwerpers. Tot slot moeten landschapsentiteiten prominenter een rol spelen in dit soort planningsprocessen. Agriport is nooit gematched met de kenmerken van het polderland. Agriport 2 moet dus langs de meetlat van de Noord-Hollandse landschappen gelegd worden. Dit kan via het beleidskader ‘Landschap en cultuurhistorie Noord Holland' en de nieuwe structuurvisie.

Mark Hendriks